Nederlands: taal en cultuur

Prof. dr. Rik Vosters
2017-2018

Tijdens het academiejaar 2018-2019 ben ik op onderzoekssabbatical en zal dit college gedoceerd worden door vervangster Jill Puttaert (jill.puttaert@vub.be).

Algemeen

Het opleidingsonderdeel Nederlands: taal en cultuur vindt plaats in het 2de semester, met college op dinsdag 9-13 uur. Voor de meest actuele collegeroosters en lokalen kan je terecht op my.vub.

Korte inhoud

Dit studiedeel biedt studenten een inleiding in de taal, cultuur en geschiedenis van de Nederlanden, met bijzondere nadruk op het Zuidelijke Nederlands. Het college valt in twee delen uiteen:

Deel 1: Geschiedenis van het Nederlands
Deel 2: Vlaanderen- en Nederlandkunde

Tijdens het eerste deel wordt een overzicht van de grote lijnen uit de Nederlandse taal- en cultuurgeschiedenis geboden, met bijzondere aandacht voor de externe taalgeschiedenis en de bredere cultuurhistorische context. We vertrekken vanuit de vroegste voorlopers van het Nederlands, en belanden via het Oudnederlands en het Middelnederlands bij het Noordelijke en Zuidelijke Nieuwnederlands. Bijzondere nadruk leggen we op de 20ste-eeuwse ontwikkelingen op het vlak van taal, en we staan apart stil bij enkele aspecten van de interne taalgeschiedenis. Tot slot komt het hedendaagse Nederlands aan bod, met een studie van dialecten en regiolecten, en een bespreking van standaardtaal in Noord en Zuid. Als de tijd het toelaat, ronden we af met een overzicht van het Nederlands extra muros. Theoretische en historische uiteenzettingen zullen worden afgewisseld met lees- en discussieopdrachten in de klas, waarvoor actieve participatie verwacht wordt.

In het tweede deel van elk college wordt aandacht geschonken aan de traditionele Landeskunde van het Nederlandse taalgebied: o.a. de staatsinrichting, geografie en bevolking, politiek, kunst en cultuur, media, economie en het onderwijs van zowel Vlaanderen als Nederland. Studenten zelf geven een referaat waarin ze een thema en een bijhorende casus uit de actuele Vlaanderen- en Nederlandkunde bespreken, gevolgd door een debat over een aansluitend thema, waarbij de vaak meervoudige en complexe verbanden tussen taal en cultuur worden afgetast en geproblematiseerd.

Collegeplanning

Onder voorbehoud van wijziging in de loop van het semester.

13 feb. 9-11:00 Praktische inleiding
20 feb. 9-11:00 TG: Voorgeschiedenis
11-13:00 TG: Voorgeschiedenis (teksten)
27 feb. 9-13:00 Geen college wegens staking
6 mrt. 9-11:00 TG: Oudnederlands
11-13:00 TG: Oudnederlands (teksten)
13 mrt. 9-11:00 TG: Middelnederlands
11-13:00 TG: Middelnederlands (teksten)
20 mrt. 9-11:00 Geen college wegens ziekte
11-13:00 (zelfstudieopdracht – zie Pointcarré)
27 mrt. 9-11:00 TG: Nieuwnederlands – Noorden
11-13:00 TG: Nieuwnederlands – Noorden (teksten)
3 apr. Lentevakantie
10 apr. Lentevakantie
17 apr. 9-11:00 Zelfstudie: referaten
11-13:00 Zelfstudie: referaten
24 apr. 9-11:00 TG: Nieuwnederlands – Zuiden
11-13:00 TG: Nieuwnederlands – Zuiden (teksten)
1 mei. Dag van de arbeid
8 mei. 9-13:00 Referaten: Wilge, Jarne
15 mei. 9-13:00 Referaten: Yorick, Imke, Sam
22 mei. 10:30-13:00 Referaat: Rita
Herhaling, examenvoorbereiding en vragen

Syllabus en studiemateriaal

De hoorcolleges uit deel 1 zijn gebaseerd op de relevante hoofdstukken in:

Janssens, G., & A. Marynissen. (2008 of recentere editie). Het Nederlands Vroeger en Nu. Leuven / Den Haag: Acco.

Hand-outs, slides en extra opgegeven literatuur uit de lessen maken, naast de betreffende hoofdstukken in het handboek, eveneens deel uit van het verplichte studiemateriaal, aangevuld met uitvoerige eigen notities bij de colleges door de studenten zelf.

Leerresultaten

1. De studenten kunnen de belangrijkste gebeurtenissen en ontwikkelingen uit de Nederlandse taal- en cultuurgeschiedenis beschrijven, vergelijken en in hun historische context situeren. [Dublin-descriptor NVAO: kennis en inzicht]

2. De studenten kunnen de grote lijnen en belangrijke thema’s uit de Nederlandse taal- en cultuurgeschiedenis toetsen aan en illustreren aan de hand van in de colleges of in de literatuur behandelde gevalstudies en voorbeeldteksten en -figuren. [Dublin-descriptor NVAO: toepassen kennis en inzicht]

3. De studenten zijn in staat om hun kennis van de Nederlandse taal- en cultuurgeschiedenis uit te diepen en te verbreden aan de hand van zelfstandige maar gestuurde lectuur van relevante (vak)literatuur. [Dublin-descriptor NVAO: leervaardigheden]

4. De studenten zijn in staat om onder begeleiding een bescheiden literatuuronderzoek over een opgegeven onderwerp binnen de studie van de Vlaanderen- en Nederlandkunde op te zetten en uit te voeren. [Dublin-descriptor NVAO: leervaardigheden + toepassen kennis en inzicht]

5. De studenten kunnen aan de hand van een referaat en een discussie op heldere en gepaste wijze rapporteren over hun zelfstandige lectuur. Ze kunnen zich vlot uitdrukken in het Standaardnederlands en maken correct gebruik van de relevante vakterminologie. [Dublin-descriptor NVAO: communicatie]

Beoordelingsinformatie

Mondeling examen (50% van het eindcijfer)

Na een korte schriftelijke voorbereiding (5-10 minuten per student) wordt de student overhoord over de opgegeven leerstof, waarbij de nadruk niet enkel ligt op reproductie van feitelijke kennis, maar ook op het toepassen van inzichten op behandelde voorbeelden, teksten en gevalstudies. Aan de hand van bijkomende inzichtsvragen worden verbanden en doorzicht in de grotere thema’s van de leerstof getoetst, en worden aangehaalde concepten uitgediept. Na afloop van de overhoring volgt een bespreking van het referaat.

Presentatie: referaat (50% van het eindcijfer)

Presentatie: referaat (thema, casus, debat) over een opgegeven thema in de Vlaanderen- en Nederlandkunde. De evaluatie van de referaten gebeurt aan de hand van co-assessment: dit betekent dat de medestudenten, de sprekers zelf én de docent samen input leveren voor de evaluatie, waarbij de docent uiteindelijk het eindcijfer voor het referaat per student bepaalt. Actieve participatie tijdens de colleges en lectuur van de opgegeven literatuur kunnen ook voor het deelcijfer van het referaat in rekening worden gebracht (± 20% van het deelcijfer).

Deelcijfers uit de eerste zittijd kunnen op schriftelijke vraag van de student worden overgedragen naar het (deel)examencijfer van de tweede zittijd.

Bij een examen in de tweede zittijd (tweede examenkans) wordt het referaat voorafgaand aan het mondelinge examen individueel voor de docent uiteengezet, en wordt het behaalde cijfer voor het deelcijfer presentatie/referaat uitsluitend door de docent bepaald. Bovendien vervalt in de tweede zittijd de mogelijkheid om actieve participatie en lectuur van de opgegeven literatuur in rekening te brengen voor het deelcijfer presentatie/referaat.

Indien studenten niet aan elk van de aparte evaluatieonderdelen deelnemen, zal het eindcijfer voor het opleidingsonderdeel als geheel een afwezigheidscijfer zijn.

Opzet referaat

1. Breed overzicht van het algemene thema

  • algemeen thema binnen de Vlaanderen- en Nederlandkunde
    (zie slides college 1 voor suggesties)
  • omvattende beschrijving van relevante thema’s en literatuur over het onderwerp
  • vergelijkende focus op zowel Vlaanderen als Nederland
  • bijv. onderwijs in Vlaanderen en Nederland

2. Casus of uitdieping van één deelthema

  • in detail ingaan op één illustratieve casus of één specifiek deelthema
    (zie slides college 1 voor suggesties)
  • relevant in het kader van het bredere thema
  • bijv. de positie van het Engels in het hoger onderwijs in Vlaanderen en Nederland

3. Discussie en vragen

  • aanzetten geven tot een brede discussie en discussie leiden
  • eventueel lectuur vooraf opgeven om discussie te vergemakkelijken (digitale kopie)
  • concrete aanzetten tot discussie voorbereiden: discussiepunten, vragen, discussieopdracht, …

Praktisch

  • samenwerking per twee rond één thema
  • duur: min. 30 min. en max. 45 min. per referaat (incl. discussie)
  • pers en populariserende bronnen zijn toegelaten, maar min. 3 academische bronnen per referaat zijn vereist

Co-assessment

De evaluatie van de referaten gebeurt aan de hand van co-assessment: dit betekent dat de medestudenten, de sprekers zelf én de docent samen instaan voor de evaluatie

  • Peer assessment:
    tijdens elk referaat maken de medestudenten notities en beoordelen ze de sprekers aan de hand van de hieronder vastgelegde criteria
  • Self-assessment:
    na elk referaat reflecteren de sprekers over de sterktes en zwaktes van hun eigen werk
  • Assessment door docent:
    volgens dezelfde evaluatiecriteria als bij het peer assessment

De docent bepaalt aan de hand van deze verschillende evaluatievormen het eindcijfer voor het referaat per student

Criteria voor evaluatie

Inhoudelijk

  • Omvattende, brede bespreking van het thema
  • Diepgang en relevantie casus
  • Kritische reflectie en analyse
  • Raadplegen relevante literatuur
  • Gebruik van voldoende en duidelijke voorbeelden

Vormelijk

  • Vlotte en goed voorbereide presentatie
  • Ondersteuning met slides of handouts
  • Structuur van het referaat en de discussie
  • Correcte en volledige vermelding van gebruikte bronnen
  • Interactiviteit en leiden van de discussie

Vragen en contact

Titularis: Prof. dr. Rik Vosters

  • afspraken: www.rikvosters.be/afspraak (wekelijks wisselende spreekuren)`kantoor: B.5.445
  • telefonisch: 02 / 629 26 55

E-mail:

  • Rik.Vosters@vub.ac.be
  • Opgelet: enkel korte ja/nee-vragen per e-mail!

Websites:

  • https://www.rikvosters.be/tc
  • http://pointcarre.vub.ac.be
  • https://www.rikvosters.be/afspraak

Blokpermanentie en examenfeedback:

  • op diverse dagen tijdens de blok- en examenperiode, evenals tijdens de lesvrije week
  • aanmelden via www.rikvosters.be/afspraak

Let op: beperktere beschikbaar voor vragen, e-mails of afspraken tussen 17 juli en 17 augustus.